Een bal gaat naast. De sporter kijkt naar de grond. Aan de kant roept iemand wat er anders had gemoeten. En de volgende bal is alweer onderweg.

Deze situatie is een voorbeeld, geen persoonlijk verhaal van een deelnemer. Je herkent misschien de snelheid ervan: er gebeurt veel, terwijl er weinig tijd is om stil te staan bij wat een jongere nodig heeft.

Begin met één vraag.

Je hoeft niet direct uit te leggen hoe de fout ontstond. Vraag eerst: “Wat helpt je nu?” Misschien wil de sporter één aanwijzing. Misschien een moment rust. Misschien gewoon de bal nog een keer krijgen.

Maak de volgende stap concreet.

“Doe beter je best” geeft weinig richting. “Kom weer vrij aan de zijkant” of “Kies de eerstvolgende eenvoudige bal” is iets wat de sporter kan proberen. Vraag ook wat de sporter zelf als volgende actie ziet.

Let op je reactie.

Je woorden doen ertoe, maar ook je gezicht, stem en houding. Geef ruimte om te antwoorden. Vermijd een bespreking van iemands hele karakter na één misser. Houd je aanwijzing bij het moment en het gedrag.

Kom er later op terug.

Na de training kun je vragen: “Wat werkte voor jou toen je weer begon?” Je hoeft het antwoord niet voor de jongere in te vullen. Luister, vraag door en spreek één praktisch punt af voor de volgende training.

Probeer dit in je team
Gebruik tien minuten van een bestaande training. Spreek af dat iedereen mag passen bij een vraag. Stel na een fout drie vragen: wat gebeurde er, wat helpt je nu en wat is je volgende actie?

Deze tekst biedt gesprekssuggesties en is geen persoonlijke beoordeling of behandeling. De trainerskaart en oefening vind je in het gratis starterspakket.